Afbeelding 93

Afbeelding 94 (vergroot 40x)
3B. PEPERSTIP PLANT OF DIER?

Peperstip wordt veroorzaakt door Oödinium limneticum (Jacobs, 1946) of O.pillularis (Schaperclaus, 1951). Beide soorten behoren tot de orde van de zweepalgen (dinoflagellaten). Ze zijn nauw verwant met de verwekker van koraalvissenziekte. Zweepalgen zijn eencelligen, die zich bewegen met behulp van twee zweepdraden (flagellen). Een zweepdraad ligt in een overdwarse groeve; de tweede steekt aan de achterzijde van de cel vrij in het water (afb. 93, stadium 1). Vele soorten zweepalgen bezitten tevens bladgroenkorrels (chloroplasten); men zou ze vrijzwemmende eencellige plantjes kunnen noemen. Ze leven dan van het zonlicht en komen veel voor in het plankton.

Een bekende zweepalg is de zeevonk (Noctiluca scintillans), die het lichten van de zee voor de Nederlandse kust kan veroorzaken. Andere soorten kunnen zich in korte tijd massaal vermeerderen (dinoflagellaten 'bloei') en veroorzaken dan het 'rode getij'. De verwekkers van peperstip en koraalvissenziekte onderscheiden zich doordat de gewone vrijzwemmende vorm (dinospore) zich vasthecht op huid en kieuwen van een vis en vervolgens van gedaante verandert. De twee zweepdraden verdwijnen; nieuw gevormde wortelachtige uitsteeksels (pseudopodiën, rhizoïden) dringen in de slijmhuid of in de cellen die de kieuwblaadjes bedekken (epitheel van de kieuwlamellen).

De jonge parasiet (trophont, afb. 93 stadium 9) voedt zich nu met bestanddelen van de vis en groeit uit tot het volwassen stadium. De uitgegroeide parasiet laat dan los en kapselt zich in, waarna binnen het kapsel verscheidene celdelingen plaatsvinden (afb. 93, stadia 3 en 4). Hieruit ontstaan weer 32-64 (O.pillularis) of 256 (0. limneticuni) jonge, vrijzwemmende dinosporen (afb. 93, stadium 8). Bij 0.pillularis heeft de dinospore een rode oogvlek (ocellus), bij 0. limneticum ontbreekt deze.

Hoe weten we nu of een vis peperstip heeft? De stippen op de vis zijn veel kleiner dan bij witte-stipziekte en met het blote oog nog maar net zichtbaar. Om ze te kunnen zien hebben we licht nodig; bij een bepaalde invalshoek van het licht (strijklicht) lijkt de vis dan als het ware bepoederd met bruinachtige puntjes: peperstippen. Om de diagnose met zekerheid te kunnen stellen hebben we een microscoop nodig. Wanneer we bij een aangetaste vis een klein stukje van een vin afknippen en dit onder de microscoop bekijken, dan blijkt elke peperstip eigenlijk een groepje bij elkaar zittende parasieten (trophonten) te zijn (afb. 94). In een huidafstrijkje vinden we losliggende parasieten: onbeweeglijke, peervormige, geelbruine, gekorrelde cellen, ten hoogste 50 a 70 µm lang en met een licht afgetekende kern. De verschillen tussen 0. limneticum en 0.pillularis betreffen niet het parasitaire stadium; bij microscopisch onderzoek van aangetaste vissen valt daarom mijns inziens niet uit te maken welke van de twee de oorzaak is.

De bestrijding van peperstip is niet eenvoudig. Uit een onderzoek van Blom (1972) is gebleken, dat men zieke vissen het beste kan baden in een oplossing van synthetisch zeezout, ½% (5 g/1) gedurende 1 a 2 keer 24 uur. Hierbij is enige voorzichtigheid geboden, omdat de ene vissoort zo'n zoutbad beter verdraagt dan de andere. Men dient de vissen gedurende de behandeling dan ook een beetje in de gaten te houden en de duur van het zoutbad te bekorten wanneer het slecht wordt verdragen.

terug