Afbeelding 96
3E. INWENDIGE ZIEKTEN VEROORZAAKT DOOR HEXAMITA, OCTOMITUS EN SPIRONUCLEUS

De in de titel genoemde geslachten behoren tot de Diplomonadina. Dit zijn tweezijdig symmetrische dubbelorganismen: belangrijke onderdelen (organellen) van het cellichaam zijn in tweevoud aanwezig. Bij tropische siervissen zijn als ziekteverwekker beschreven: Octomitus intestinalis truttae (Schäpereiaus, 1954), 0. symphysodoni (Amlacher, 1961), Spironucleus elegans (Kulda en Lom, 1964) en Hexamita (Octomitus)-soorten (Herkner, 1969). De naamgeving van deze ziekteverwekkers is nogal verwarrend en berust soms op onvolledige gegevens. De namen Hexamita en Octomitus worden daarbij door elkaar gebruikt.

Om deze parasieten als groep te kunnen herkennen is het voldoende iets te weten van de algemene bouw. Het cellichaam is ei- tot peervormig, of meer langgerekt (afb. 96). Aan de voorzijde bevinden zich 2 kernen en 2 X 3 zweepdraden. Door de cel lopen in de lengterichting 2 lange dunne staven (axostylen), die aan de achterzijde van de cel overgaan in 2 lange zweepdraden. Hexamita-soorten veroorzaken bij tropische siervissen ernstige inwendige infecties. Vooral Cichlidae zijn er gevoelig voor. Bij zieke vissen kan de parasiet worden aangetroffen in darm, galblaas, lever en bloed. De darmwand is over het algemeen ontstoken; de ontlasting is veelal licht gekleurd en slijmerig. Verder zien we algemene verschijnselen, zoals gebrek aan eetlust en vermagering. Spironucleus elegans is bij maanvissen (Pterophyillum scalare) uitsluitend in de darm gevonden (Kulda en Lom, 1964). De vissen waren er niet duidelijk ziek van. Deze parasiet kan van amfibieën op vissen overgaan.

Herkner (1969, 1970) bracht Hexamita-soorten ook in verband met de zogenaamde gatenziekte bij discusvissen (Symphysodon-soorten) en de maanvis (Pterophyllum scalare) . In de kopstreek van besmette vissen ontstaan onder de huid en in het spierweefsel ophopingen van Hexamita. Het weefsel ter plaatse raakt vervallen. Wanneer de huid openbreekt wordt een witachtige, wormvormige prop vervallen weefsel afgestoten. Hierdoor ontstaan de gaten waaraan de ziekte zijn naam ontleent. In latere stadia kunnen hele stukken van de huid worden ondermijnd, waarna grote open wonden overblijven.

Besmettingen met Hexamita, Octomitus of Spironucleus kunnen worden vastgesteld door microscopisch onderzoek van ontlasting, darminhoud, gal, of (wanneer de parasiet zich in het bloed bevindt) van een drukpreparaatje van de milt. Bij gatenziekte is de parasiet ook te vinden in de onderhuidse vervalshaarden. Na het openbreken van de huid is Hexamita nog gedurende korte tijd aantoonbaar, daarna niet meer (Herkner, 1970). Bij het microscopisch onderzoek hebben we een sterke vergroting (400 x) nodig en veel contrast: condensor van de microscoop omlaag draaien.

De bestrijdingsmogelijkheden van de genoemde parasieten zijn aanzienlijk verbeterd sinds de toepassing van dimetridazole tegen Hexamita bij forellen (Ghittino, 1967). Het middel werd toegediend via het voer, wat bij aquariumvissen lastig is en bovendien zinloos wanneer de vissen niet eten. Uit eigen onderzoek is gebleken dat dimetridazole ook werkzaam is wanneer het aan het water wordt toegevoegd. Voor Emtryl ® (40% dimetridazole) bedraagt de dosis 100mg/l gedurende 2 keer 24 uur.

terug