Afbeelding 108 (40x vergroot)

Afbeelding 109 (16x vergroot)
4B. ZIEKTEN VEROORZAAKT DOOR METACERCARIËN VAN ZUIGWORMEN

Binnen de klasse van de zuigwormen (Trematoda) onderscheidt men de Monogenea (§ 4A) en de Digenea. Volwassen Digenea zijn in de regel platte, bladvormige wormen. Bij tropische siervissen spelen de volwassen Digenea geen rol van betekenis; anders staat het echter met bepaalde onvolwassen vormen van deze wormen: de metacercariën.

Wat zijn metacercariën, en hoe komen ze in een vis terecht? Om deze vragen te kunnen beantwoorden dienen we iets te weten van de kringloop (cyclus) van bepaalde Digenea. Laten we daarbij uitgaan van de volwassen zuigwormen in het maagdarmkanaal van, bijvoorbeeld, roofvissen of visetende vogels. Bevruchte wormeieren komen dan via de ontlasting in het water terecht. Uit de bevruchte eieren komen larfjes (miracidiën) die voorzien zijn van trilharen. Deze larfjes boren zich in een waterslak; in het lichaam van de slak worden de zogenaamde cercariën gevormd.

Cercariën hebben een staart, waarmee ze na het verlaten van de slak (eerste tussengastheer) naar een vis (tweede tussengastheer) zwemmen. Ze doorboren de slijmhuid van de vis of worden opgenomen met het voedsel, verliezen hun staart en kapselen zich in. Ze ontwikkelen zich dan tot metacercariën, die al vrij sterk lijken op de volwassen worm. Vissen kunnen dus alleen worden besmet door uit waterslakken afkomstige cercariën; metacercariën kunnen niet van vis op vis overgaan. Wanneer de vis wordt opgegeten door een roofvis of een watervogel (eindgastheer), komen in het maagdarmkanaal van deze dieren de metacercariën vrij. De metacercariën ontwikkelen zich dan tot volwassen zuigwormen, waarmee de kringloop is gesloten.

Het is nu gebleken dat tropische siervissen nogal eens optreden als tweede tussengastheer, dus drager zijn van metacercariën. Alleen in natuurlijke wateren, waar de parasiet zijn kringloop kan voltooien, worden vissen regelmatig besmet. Metacercariën worden daarom in hoofdzaak aangetroffen bij pas geïmporteerde siervissen, die in het land van herkomst in het wild zijn gevangen. We kunnen bij deze vissen verschillende ziektebeelden waarnemen. Soms ziet men knobbels in de spieren (afb. 108), waarvan de vis niet at te veel last lijkt te hebben.

Ernstiger is het, wanneer metacercariën zich genesteld hebben in de lever of in de buikholte (afb. 109). Uitputting, bloedarmoede (kenbaar aan de bleke kieuwen) en uiteindelijk sterfte kunnen er het gevolg van zijn. De diagnose is niet zo moeilijk te stellen. Bij microscopisch onderzoek vinden we de veelal ingekapselde, zich bewegende parasieten, die ten hoogste enkele millimeters lang kunnen worden. Over de bestrijding van metacercariën bij tropische siervissen is weinig of niets bekend. De levensduur van metacercariën is beperkt; spontane genezing is verschillende malen waargenomen, al kan het maanden duren.

terug