Afbeelding 109 (vergroot 16x)
4C. RONDWORMEN (NEMATODA)

Het lichaam van deze wormen is vezel- of draadvormig, rond op dwarsdoorsnede. Volwassen wormen bezitten óf een vrouwelijk Of een mannelijk geslachtsapparaat; er is dus geslachtsonderscheid. Vrouwelijke wormen leggen eieren (ovipaar) of brengen levende larven ter wereld (vivipaar). Bij tropische siervissen is in de eerste plaats het geslacht Capillaria van belang. Hun lengte wisselt; de kleinste soorten zijn slechts enkele millimeters lang. De levenscyclus van Capillaria-soorten is nog goeddeels onbekend. Roeipootkreeftjes (Copepoda) en watervlooien (Gammaridae) zouden kunnen optreden als tussengastheer voor de onvolwassen wormen (larven).

Volwassen wormen worden bij tropische siervissen vooral aangetroffen in de darm; de vis is hier eindgastheer. Bij ernstige besmettingen bestaat vrijwel de gehele darminhoud uit wormen; soms ziet men dat één of meer exemplaren uit de anale opening naar buiten hangen. Amlacher (1967) telde in de darm van een guppy (Poecilia reticulata) eens 32 wormen. De vissen zijn dan ernstig verzwakt. Lichte besmettingen worden meestal verdragen zonder dat de vis er veel last van heeft. Apart dient te worden vermeld het voorkomen van Capillaria-soorten in de darm van discusvissen (Symphysodon-soorten).

De dieren eten dan slecht en vermageren; de ontlasting is vaak kleurloos en doorschijnend. Om de diagnose bij het levende dier te kunnen stelten is het noodzakelijk de ontlasting te onderzoeken op wormeieren. Capiliaria-eieren zijn ellipsvormig, geelachtig van kleur en bezitten aan de spitse einden twee poolproppen. Bij discusvissen, en mogelijk ook bij andere vissoorten, kan de ziekte worden bestreden door Masoten ® (½ - 1 mg/l) aan het water in het aquarium toe te voegen (Krause, 1973). Voor verdere gegevens over deze behandelingsmethode wordt verwezen naar § 4a. Behalve volwassen rondwormen, die zich bij tropische siervissen over het algemeen in de darm bevinden, kunnen ook rondwormlarven bij vissen worden aangetroffen.

Evenals bij infecties met metacereariën (§ 4b) is de vis tweede tussengastheer; de kringloop van de bij vissen parasiterende rondwormlarven is in wezen gelijk aan de in § 4b beschreven cyclus. Besmetting vindt plaats door het eten van, bijvoorbeeld, roeipootkreeftjes (eerste tussengastheer) die dragers zijn van wormlarven. Rondwormlarven kunnen zich bij vissen in vrijwel alle organen en weefsels bevinden, maar vooral in spierweefsel, buikholte en lever.

Bij microscopisch onderzoek (drukpreparaten) vinden we de zich bewegende parasieten, die soms erg klein zijn (afb. 109). De verschijnselen bij zieke vissen zijn hetzelfde als beschreven in § 4b. Bestrijding van de ziekte is tot op heden niet mogelijk.

terug